Het kan anders maar in Leiden niet.
In ’s-Hertogenbosch kiest het gemeentebestuur er bewust voor om minder massale evenementen toe te staan. Niet omdat men daar tegen feest is, maar omdat men begrijpt dat draagvlak onder bewoners een randvoorwaarde is voor een vitale stad. Leefbaarheid, veiligheid en het karakter van de binnenstad worden daar actief beschermd. Balans is er geen bijzaak, maar beleid.
Leiden lijkt de tegenovergestelde koers te varen.
De afgelopen jaren is in Leiden steeds harder ingezet op meer evenementen, langer ’s nachts openblijven en een groeiende horeca, onder het motto dat de stad moet bruisen. Wie daar vraagtekens bij zet, wordt al snel weggezet als azijnzeiker, klager, iemand die “de stad niet begrijpt” of krijgt te horen dat “ je maar niet in de binnenstad had moeten gaan wonen”.
Dat frame is gemakzuchtig en polariserend — en het maskeert een fundamenteel probleem: de gemeente laat haar oren hangen naar, door haar zelf gesubsidieerde, belangenbehartigers. Kost ons allemaal 4 miljoen per jaar én de stad stuurt niet maar holt achter de lobbyisten aan.
De horeca in de binnenstad groeit hard. Terrassen breiden zich uit, evenementen nemen toe en steeds meer openbare ruimte wordt ingericht op consumptie. Tegelijkertijd krimpt het winkelaanbod, staat de detailhandel structureel onder druk en komt zelfs de zaterdagmarkt — een van de oudste en meest toegankelijke vormen van stedelijk leven — in de knel. Niet omdat de markt geen waarde meer heeft, maar omdat de ruimte die zij nodig heeft steeds vaker wordt opgeëist door horeca en terrassen.
Dit is geen toeval of onvermijdelijk, het is gevolg van foute keuzes.
Waar andere steden actief sturen op functiemenging en spreiding, lijkt Leiden vooral ruimte te bieden aan wat het snelst groeit en het meeste directe rendement oplevert. Maar een binnenstad die steeds meer bestaat uit terrassen, bars en tijdelijke evenementen, verliest iets wezenlijks: stedelijk leven dat niet draait om betalen, drinken, roken op terrassen of lawaai.
De veelbesproken klachten over gras, geluid en nachtrust zijn geen kleinzielig gemopper. Ze zijn het zichtbare symptoom van een dieper gevoel: dat bewoners vooral worden gezien als decor in een economisch toneelstuk. Nodig voor sfeer, zo leeg als ze er niet zijn maar lastig zodra zij grenzen stellen.
Een stad die alleen nog denkt in bezoekersaantallen, piekmomenten en omzet, ondergraaft uiteindelijk haar eigen fundament. Leiden lijkt deze kritiek te beantwoorden met de bravoure van de lobbyisten: niet lullen maar feesten. Dat mag ordinair klinken, maar het leidt tot verharding, onbegrip en een slechtere onderlinge verhoudingen.
Een stad wordt niet levendig door het volume steeds verder op te schroeven. Een stad blijft levendig doordat mensen er willen wonen, meedoen en er zich verantwoordelijk voor voelen.
Een stad vergroent niet door pleinen en parken te bestraten of door groene parasols in plaats van bomen te plaatsen.
Met de gemeenteraadsverkiezingen in aantocht is het moment gekomen om die vraag expliciet te stellen: voor wie of wat is de Leidse binnenstad eigenlijk bedoeld? Voor bezoekers en consumptie, of ook voor bewoners, markten, winkels, groen en rust?